Grote grazers geven het gebied vorm
Op vrijdag 11 februari gingen groep 3 en 4 voor de tweede keer naar het Geuzenbos. In de herfst waren deze kinderen ook al naar dit bos geweest. Ze hadden toen van alles geleerd over het bos en de dieren in de herfst. Ook werd er van alles verzameld en meegenomen naar school: dit leverde een mooie herfsttafel op! Nu ging de les van boswachter Arjen over hoe dieren in de winter aan eten komen.
Toen we aankwamen in het bos werden eerst door de boswachter hele goede verrekijkers uitgedeeld. Elke drie of vier kinderen kregen er een, om samen mee te doen. Er waren allerlei vogels te horen die direct door de kinderen bekeken konden worden – als je ze tenminste kon vinden in de takken hoog boven je! Toen begon de wandeling door het bos, op zoek naar de wilde paarden en de hooglanders die in het gebied zitten. Al vrij snel kwamen we de paarden tegen. Boswachter Arjen vertelde van alles over deze paarden. Het zijn paarden die uit Polen afkomstig zijn en die nog erg lijken op de paarden die hier duizenden jaren geleden voorkwamen. Deze Koniks worden nu ‘teruggefokt’ naar het Tarpan-ras (oerpaarden). Als een jong paardje erg lijkt op deze oerpaarden dan mag het zich voortplanten. Maar als er kenmerken van ‘moderne’ paarden te zien zijn (zoals een witte vlek op het hoofd), dan wordt het uit de kudde gehaald en mag het ergens anders verder leven.
Als je goed keek, kon je zien dat de hengst Domino zelfs zogenaamde Zebrastrepen op zijn achterpoten had. Dat is dus zo’n kenmerk van die oerpaarden. Deze paarden kunnen zich jaarrond goed redden: ze hoeven nooit op stal te staan en ze zoeken hun eigen eten.
Terwijl er steeds meer paardjes uit het bos tevoorschijn kwamen vertelde de boswachter hoe de paarden ‘s winters aan eten komen. Omdat er ‘s winters voor de paarden niet veel gras te vinden is, eten ze veel boomschors. Ze pakken met hun tanden de schors vast en trekken eraan. Zo scheurt de schors van de boom af, soms wel tot heel hoog! In die schors en het hout er vlak onder zijn veel suikers te vinden. Dit geeft de paarden de energie om de winter door te komen. Doordat de paarden de schors van de bomen trekken, gaan de bomen uiteindelijk dood. Ze vallen dan om en beginnen te verrotten. Hierdoor komt er weer plaats voor allerlei andere planten en dieren. Zo kan een gewoon bos dat begonnen is als een aangeplant bos (met veel dezelfde bomen en weinig variatie in planten en dieren) na verloop van tijd veranderen in een echte wildernis waar heel veel verschillende soorten planten en dieren bij elkaar leven. De paarden spelen dus een belangrijke rol in het creeren van biodiversiteit.
Speuren naar sporen
Nadat we de paarden goed bekeken hadden, ging de tocht weer door. Het was erg modderig in het gebied! Sommige kinderen hadden geen laarzen aan en kregen natte sokken. Ook bleven soms de schoenen in de modder vastzitten – dan stond je ineens met je sok in de lucht. Laarzen zijn hier echt wel nodig. De kinderen vonden het in het begin maar vies en eng in het bos, maar nadat ze even hadden rondgelopen (waarbij ze hun eigen pad konden kiezen) merkte je dat de kinderen er aardigheid in kregen. Modder is leuk! En je kunt er ook heel goed diersporen in vinden. De boswachter wees op de prenten die je op de grond kon zien. Sommige hadden een spleet in het midden, andere hadden een hoef(ijzer)vorm. De paardjes in het gebied hebben natuurlijk geen hoefijzers! De prenten met een spleet in het midden zijn van de hooglanders: die lopen eigenlijk op twee tenen. De hoef van een paard is oorspronkelijk ook een teen. Veel kinderen gingen na deze uitleg zelf op zoek naar sporen van dieren in de modder.
Bij een omgevallen boom vertelde boswachter Arjen dat wat je van een boom boven de grond aan takken en bladeren ziet, er normaal gesproken ook onder de grond te vinden is aan wortels. Onvoorstelbaar hoeveel wortels een boom dan moet hebben. De boom waar we bij keken was omgewaaid, omdat zijn wortels een halve meter onder de grond op een laag betonpuin waren gestuit. Daardoor zat hij niet stevig in de grond vast en was hij kwetsbaar voor de wind.
Horens en haren
Vervolgens liepen we nog een stuk op zoek naar de hooglanders. Deze koeien kunnen ook het hele jaar zonder verzorging buiten blijven. Het zijn erg gezonde en sterke dieren die ‘s winters een dikke vacht krijgen en ‘s zomers een koelere, dunnere vacht dragen. Na een ware glibber- en glijpartij vonden we de dieren eindelijk aan de rand van het gebied. De boswachter vroeg de kinderen welke verschillen ze zagen tussen de dieren. Dat wisten ze goed te vertellen: de één had horens die omhoog wezen, de ander had horens die naar voren wezen. Die met de horens naar voren zijn mannetjes. Een ander verschil was te zien aan de vacht: mannetjes hadden meer gekruld haar. Zo kun je ook aan jonge dieren, die nog geen grote horens hebben, zien of het een mannetje of een vrouwtje is.
Blik op de zomer
De hooglanders waren een beetje opdringerig. De boswachter hield ze tegen terwijl wij met zijn allen rustig terugliepen. Toen we weer voorbij de spannende modderglijbaan waren, liepen we het bos uit om het laatste stuk over het fietspad terug te lopen naar de auto’s. Daar namen we afscheid van de boswachter en toen gingen we weer op school aan. Een mooi tochtje in het bos! In de zomer gaan we nog een keer, dan zullen we zien hoe het met de dieren gaat – zouden er dan kalfjes of veulens zijn geboren? En welke planten vinden ze lekker en welke laten ze staan? En welke dieren zien we dan nog meer? We zijn benieuwd… Wordt vervolgd!
juf Angelique en meester Arend